tussenlijn
reiziger - journalist - schrijver

Voltameer
Yves Montand (niet de kopie)  

Dag 1

Dag 3

Dag 5

Dag 6

Dag 8

Dag 9

Dag 13

Dag 15

Dag 18

Dag 22

Dag 25

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De eerste grens

Van Bui naar Bobo Dioulasso

’s Nachts is het hard gaan waaien. Als ik wakker word zijn mijn polsen en ellebogen stijf en opgezet. De zwarte vliegjes bij de rivier hebben de huishouding in mijn armen en benen flink verstoord. Met de zon in het gezicht rijden we richting Wa. Onderweg horen we een knal van onder de auto. Het blikje moet er af zijn geslagen. Maar als we koffie drinken in het volgende dorp blijkt het blikje nog netjes op zijn plaats te zitten. Alleen is er net zo een gat naast gekomen! In een reepje schaduw langs de weg wordt dat op de zelfde manier verholpen.

Mijn armen en enkels worden steeds dikker, Alsof ik de nijlpaardenziekte heb opgelopen. In het regionaal ziekenhuis in Wa ga ik even bij een dokter langs, die me gerust stelt en een pilletje meegeeft. Het lijkt een alles of niets reactie van mijn lichaam op een overdosis onbekende insectenbeten. Een jongen achter me heeft een nog erger opgezwollen arm. Zijn vingers zijn net worstjes. De man die met hem is vertelt dat het een slangenbeet is, die de jongen probeerde te verbergen.

Onderweg, tussen twee dorpjes, zien we voor ons op de onverharde weg een invalide jongen snel naar de kant van de weg schuivelen. Hij beweegt zich op zijn romp voort in de richting van een soort onderkomen langs de weg. Het lijkt alsof hij verstoten is door zijn gemeenschap. Misschien komt eens een gewiekste zakenman langs die de jongen meeneemt naar de grote stad om hem langs de rijen auto’s te laten bedelen.

In een volgend dorp komen mensen bijeen. Ze zijn mooi aangekleed. Er is een begrafenis. De overledene is in zijn mooiste kleren doodleuk op een stoel op een podium gezet, vastgebonden met doeken. In Ghana is men tijdens zijn begrafenis het middelpunt van de gemeente. Van heine en verre komt men de laatste eer bewijzen. Een plastic zeil aan de achterkant beschermt het lijk tegen de gure wind.

Zonder moeilijkheden bij de grens rijden we in westelijke richting naar Bobo Dioulasso. In het centrum is een hotel dat al 65 jaar gerund wordt door een Libanees echtpaar. Ondertussen is het uitgebreid en loopt er allerlei familie rond, Het is er door en door Frans Imperialistisch, compleet met de Yves Montand kopie, die de ene na de andere sigaret zijn dunne lichaam in zuigt. Dit soort hotels vind je aan de voet van hoge bergen, langs de rand van woestijnen en oceanen; overal waar behoefte is aan een stevige ankerplaats.